Vernieuwde voedingsnormen: kwaliteit van vetten en koolhydraten centraal
Dinsdag 7 juli 2026
De Gezondheidsraad heeft vandaag (7 juli 2026) het advies ‘Voedingsnormen voor vetten, vetzuren, verteerbare koolhydraten en voedingsvezels’ aangeboden aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Met dit advies wordt de herziening van de Nederlandse voedingsnormen afgerond. De nieuwe normen en aanbevelingen vormen een belangrijke basis voor voedingsvoorlichting, voedingsbeleid en de dagelijkse praktijk van diëtisten.
Een opvallende conclusie uit het advies is dat de kwaliteit van het voedingspatroon belangrijker is dan de totale hoeveelheid vetten of koolhydraten. De Gezondheidsraad kiest daarom op verschillende onderdelen voor aanbevelingen die aansluiten bij voedingsmiddelen en voedingspatronen, in plaats van alleen te sturen op percentages voedingsstoffen.
Nieuwe normen voor essentiële vetzuren
De Gezondheidsraad adviseert:
- Linolzuur: 4 energieprocent.
- Alfalinoleenzuur: 0,5 energieprocent.
Deze normen gelden voor alle leeftijdsgroepen, inclusief zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven.
Vis blijft de belangrijkste bron van omega-3-vetzuren
Voor volwassenen blijft een adequate inname van 200 mg EPA en DHA per dag gelden.
Voor zwangere vrouwen wordt een hogere inname geadviseerd:
- 250 mg EPA + DHA per dag;
- plus 100 mg extra DHA per dag.
Voor vrouwen die borstvoeding geven geldt:
- 200 mg EPA + DHA per dag;
- plus 100 mg extra DHA per dag.
De Gezondheidsraad benadrukt dat de visrichtlijn leidend blijft. Mensen die voldoende vis eten volgens de richtlijnen hebben geen supplement nodig. Alleen voor zwangere vrouwen die weinig of geen vis eten blijft een expliciet suppletieadvies bestaan.
Verzadigde vetten en transvetten: zo laag mogelijk
De raad laat de oude bovengrenzen los en adviseert voortaan een zo laag mogelijke inname van verzadigde vetzuren en transvetzuren binnen een volwaardig voedingspatroon.
Daarnaast wordt aanbevolen om producten met veel verzadigd vet zoveel mogelijk te vervangen door:
- producten rijk aan onverzadigde vetten;
- of, wanneer een lager vetgehalte gewenst is, door volkorenproducten en peulvruchten.
Voor voedingsvoorlichting kan een inname van 10 energieprocent verzadigd vet als praktische tussenstap worden gebruikt.
Totale vetinname (kinderen)
Voor de totale vetinname adviseert de Gezondheidsraad:
- 20–40 energieprocent voor iedereen vanaf 4 jaar;
- 25–40 energieprocent voor kinderen van 1 tot en met 3 jaar;
- 40 energieprocent voor zuigelingen van 6 tot en met 11 maanden.
De raad benadrukt daarbij dat niet de hoeveelheid vet, maar vooral het type vet bepalend is voor de gezondheidswaarde van het voedingspatroon.
Geen norm meer voor totale koolhydraatinname
Een van de meest opvallende wijzigingen is dat de Gezondheidsraad geen kwantitatieve norm meer geeft voor de totale hoeveelheid verteerbare koolhydraten.
De raad stelt dat de kwaliteit van koolhydraatbronnen belangrijker is dan de totale hoeveelheid koolhydraten. Daarom wordt aanbevolen om koolhydraten vooral te halen uit voedingsmiddelen zoals:
- volkorenproducten;
- groenten;
- fruit;
- peulvruchten.
Vrije suikers verder beperken
Voor vrije suikers geldt voortaan dezelfde benadering als voor verzadigde vetten: een zo laag mogelijke inname binnen een volwaardig voedingspatroon.
Voor monitoring en voedingsvoorlichting kan een inname van 10 energieprocent als tussenstap worden gebruikt. De raad benadrukt echter dat verdere verlaging ook onder dit niveau gezondheidswinst kan opleveren.
Meer aandacht voor vezels
De Gezondheidsraad adviseert een vezelinname van:
3,0 tot 3,5 gram voedingsvezel per megajoule, overeenkomend met 12,6 tot 14,6 gram per 1.000 kcal.
Deze vezels dienen bij voorkeur afkomstig te zijn uit:
- volkorenproducten;
- groenten;
- fruit;
- peulvruchten;
- noten.
Voor kinderen tot 2 jaar wordt geen kwantitatieve norm gegeven. Wel adviseert de raad een geleidelijke uitbreiding van het voedingspatroon met onder meer volkorenproducten, groenten, fruit, peulvruchten en noten.
Wat betekent dit voor diëtisten?
Het advies bevestigt de verschuiving van een voedingsstofgerichte benadering naar een voedingspatroongerichte aanpak. Voor de diëtistische praktijk ligt de nadruk op:
- vervanging van verzadigde vetten door onverzadigde vetten;
- voldoende visconsumptie;
- beperking van vrije suikers;
- verhoging van de vezelinname;
- een voedingspatroon rijk aan volkorenproducten, groenten, fruit, peulvruchten en noten.
De nieuwe voedingsnormen vormen de wetenschappelijke basis voor toekomstige voedingsvoorlichting door het Voedingscentrum, diëtisten en andere zorgprofessionals.







