Hoe diëtisten het verschil kunnen maken in de kwetsbare fase rond ziekenhuisopname
Proefschrift Carliene van Dronkelaar: Ondervoeding en sarcopenie, van ziekenhuisbed naar herstel thuis
De vergrijzing stelt de diëtetiek voor een urgente uitdaging. Het aantal 65-plussers groeit snel en daarmee ook het aantal patiënten met complexe aandoeningen waarin ondervoeding en sarcopenie centraal staan. Deze twee aandoeningen gaan vaak hand in hand en versterken elkaar: een verminderde voedingsinname leidt tot spierverlies, terwijl verlies van spiermassa en -kracht de voedingsstatus verder onder druk zet. Het proefschrift van Carliene van Dronkelaar, waarop zij 17 juni promoveert aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, laat zien dat juist rond ziekenhuisopnames, een periode van acute kwetsbaarheid, de rol van de diëtist belangrijk is, maar ook dat de huidige zorg nog tekortschiet.
Een van de problemen is dat ondervoeding nog altijd onvoldoende wordt herkend. Hoewel er in de praktijk veel gebruik wordt gemaakt van screeningsinstrumenten zoals SNAQ en MUST, blijken deze onvoldoende gevoelig. In een studie onder 356 opgenomen oudere patiënten werd 42% als ondervoed gediagnosticeerd volgens de GLIM-criteria, een internationaal geaccepteerde standaard. De gangbare screeningsinstrumenten misten echter tot wel 68% van deze gevallen.
Dit heeft directe consequenties voor de praktijk: patiënten die niet worden herkend, krijgen geen voedingsbehandeling, terwijl juist vroege interventie essentieel is voor herstel. Het proefschrift laat zien dat er grond is voor heroverweging van de screeningsfase en suggereert dat directe toepassing van diagnostische criteria of betere integratie in elektronische patiëntendossiers kan helpen.
Eiwitinname blijft achter ondanks aandacht
Zelfs wanneer ondervoeding wordt gesignaleerd, blijkt adequate behandeling geen vanzelfsprekendheid. Analyse van gegevens van ruim 339.000 Nederlandse ziekenhuispatiënten over een periode van elf jaar laat zien dat slechts 44 tot 53% van de ondervoede patiënten op dag vier van opname een adequate eiwitinname bereikt. Slechts één op de vijf ziekenhuizen haalt de norm dat meer dan 60% van de patiënten dit doel bereikt.

De oorzaken zijn divers. Ziekte, verminderde eetlust en korte opnameduur spelen een rol, maar ook organisatorische factoren zoals gebrekkige samenwerking, onduidelijke verantwoordelijkheden en beperkte tijd voor voedingsbegeleiding. Voor diëtisten betekent dit dat interventies niet alleen inhoudelijk, maar ook organisatorisch moeten worden versterkt.
Eetlust als sleutel tot herstel
Een opvallende bevinding uit het proefschrift is de centrale rol van eetlust. Bij opname rapporteert ongeveer de helft van de oudere patiënten een verminderde eetlust. Hoewel dit percentage afneemt na ontslag, blijft het bij een aanzienlijk deel bestaan tot maanden later.
Belangrijker nog: verminderde eetlust hangt samen met slechtere uitkomsten op spierkracht, mobiliteit en fysieke prestaties. Daarmee fungeert eetlust als een vroege indicator van functionele achteruitgang. Voor de diëtist betekent dit dat monitoring van eetlust niet alleen een diagnostisch, maar ook een prognostisch instrument is. Interventies moeten zich daarom niet uitsluitend richten op de hoeveelheid eiwit, maar ook op factoren die eetlust beïnvloeden, zoals ziekte, psychosociale omstandigheden en maaltijdcontext.
Van ziekenhuis naar thuis: de kloof in zorg
Een belangrijk thema in het proefschrift is de overgang van ziekenhuis naar thuissituatie. Juist in de eerste drie maanden na ontslag vindt een groot deel van het herstel plaats, maar de continuïteit van voedingszorg is vaak gebrekkig.
De ProIntens-studie onderzocht een intensiever, transmuraal voedingstraject met begeleiding tijdens opname én tot drie maanden daarna. Hoewel patiënten in zowel de interventie- als de controlegroep verbeterden in eiwitinname en fysieke functie, werd het streefdoel van 1,2 g/kg/dag in de meerderheid van de gevallen niet gehaald. Bovendien bleek de intensieve aanpak in deze studie niet significant effectiever, mede door implementatieproblemen zoals beperkte samenwerking en lage therapietrouw.
De belangrijkste les is dat verbetering mogelijk is, maar dat een intensiever protocol alleen niet voldoende is. De effectiviteit staat of valt met goede uitvoering, afstemming met andere disciplines en aansluiting bij de individuele patiënt.
Naar een geïntegreerde aanpak
Het proefschrift benadrukt dat ondervoeding en sarcopenie niet los van elkaar en niet binnen één discipline kunnen worden aangepakt. Effectieve zorg vraagt om een geïntegreerde benadering waarin voeding, beweging en medische behandeling samenkomen.
Voor diëtisten betekent dit een verschuiving in rol: van voedingsadviseur naar regisseur binnen een multidisciplinair netwerk. Actieve samenwerking met fysiotherapeuten, verpleegkundigen en mantelzorgers is noodzakelijk om zowel voedingsinname als lichamelijke activiteit te optimaliseren. Tegelijkertijd vraagt dit om structurele veranderingen in de organisatie van zorg, zoals betere gegevensuitwisseling en duidelijke verantwoordelijkheden.
Conclusie
Het proefschrift van Van Dronkelaar laat zien dat de zorg voor ondervoede oudere patiënten een belangrijk, maar kwetsbaar onderdeel is van het zorgproces rond ziekenhuisopnames. Ondanks toenemende aandacht blijven onderdiagnostiek, onvoldoende eiwitinname en gebrekkige continuïteit belangrijke knelpunten.
Voor diëtisten ligt hier een duidelijke opdracht: versterk de diagnostiek, monitor eetlust en inname actief, en werk intensief samen met andere disciplines, vanaf opname tot ver na ontslag. Alleen met een geïntegreerde en patiëntgerichte aanpak kan het herstel van deze kwetsbare groep daadwerkelijk worden verbeterd.
Volledige proefschrift:
Carliene van Dronkelaar (2026). “On the Path to Recovery: Optimizing Nutritional Care for Older Adults with Malnutrition and Sarcopenia from Hospital to Home.”