Nieuwe RIVM-rapportage over GLI laat positieve resultaten zien
Woensdag 4 november 2026
De Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI) heeft in zeven jaar een duidelijke plek gekregen in de behandeling van overgewicht en obesitas. Uit de deze week gepubliceerde eindrapportage van de RIVM-monitor blijkt dat deelnemers gemiddeld gewicht verliezen en dat hun kwaliteit van leven verbetert. Voor de NVD bevestigen de resultaten de waarde van gestructureerde leefstijlbehandeling. Tegelijkertijd roepen de uitkomsten een volgende vraag op: krijgt iedere patiënt de zorg die past bij zijn of haar zorgvraag en zorgzwaarte?
Sinds 2019 hebben ongeveer 216.000 mensen een intake voor de GLI gehad en zijn ruim 195.000 mensen daadwerkelijk gestart. De GLI is inmiddels in vrijwel alle gemeenten beschikbaar. Wel bestaan er grote verschillen tussen gemeenten in het aantal mensen dat wordt bereikt.
RIVM-eindrapportage
De deze week voor het RIVM gepubliceerde resultaten laten zien dat de GLI effect heeft. Bij deelnemers zonder gewichtsverlagende medicatie nam het gewicht na twee jaar gemiddeld tot 5% af en verbeterde de kwaliteit van leven klinisch relevant. Ongeveer 37 à 38% bereikte minimaal 5% gewichtsverlies. Bij deelnemers die tijdens het GLI-traject ook gewichtsverlagende medicatie gebruikten, bereikte ongeveer 62% dat resultaat.
Vergelijking zonder GLI
Voor het eerst zijn GLI-deelnemers ook vergeleken met vergelijkbare mensen die geen GLI volgden. Over twee jaar verloren GLI-deelnemers gemiddeld ongeveer 2,7 kilo meer. Daarmee laat het RIVM-rapport zien dat de GLI op populatieniveau daadwerkelijk bijdraagt aan gewichtsverlies. Tegelijkertijd blijft de uitval aanzienlijk. Over de hele periode stopte 38% voortijdig, al is dat percentage gedaald van 49% onder deelnemers die in 2019 startten naar 35% onder starters in 2023.
Wat kost de GLI?
Sinds 2019 hebben zorgverzekeraars ongeveer €184 miljoen aan GLI-zorg vergoed. De gemiddelde directe kosten liggen volgens het RIVM onder €1.000 per deelnemer. Of de GLI ook kosteneffectief is, kan nog niet worden vastgesteld. De rapportage over de netto budgetimpact en de effecten op langere termijn worden in 2027 verwacht.
Richting Passende zorg
De NVD vindt de resultaten positief in die zin dat ze bevestigen dat behandeling van leefstijl bij overgewicht en obesitas gezondheidswinst kan opleveren. “Tegelijkertijd laat het rapport zien dat niet iedere deelnemer hetzelfde resultaat behaalt”, licht NVD-directeur Bianca Rootsaert toe. “En ongeveer één op de drie deelnemers maakt het programma nog steeds niet af. Daarmee wordt een volgende vraag belangrijk: moet iedereen dezelfde interventie krijgen, of kunnen we beter bepalen welke vorm en intensiteit van zorg voor welke patiënt nodig is?”
Dieetbehandeling
Eerder Nederlands onderzoek uit 2019 (Nivel) naar individuele dieetbehandeling geeft daarvoor een interessante aanwijzing, aldus Rootsaert. Het Nivel-onderzoek omsloot bijna 4.700 patiënten met overgewicht die werden behandeld in 56 eerstelijns diëtistenpraktijken. Zij ontvingen gemiddeld ongeveer drie uur dieetbehandeling, verspreid over circa vijf maanden. Ze verloren gemiddeld 3,5% van hun lichaamsgewicht. Een kwart bereikte minimaal 5% gewichtsverlies. Een langere behandelduur hing samen met een grotere gewichtsafname.
Deze resultaten kunnen niet 1 op 1 worden vergeleken met de GLI-monitor: de patiëntengroepen, onderzoeksperioden en behandelvormen verschillen. Ook was het Nivel-onderzoek geen kosteneffectiviteitsonderzoek. “De verhouding is wel relevant voor de discussie over passende zorg en adequate inzet van middelen”, licht Rootsaert toe. “Als voor een eenvoudige vergelijking wordt uitgegaan van circa €240 aan dieetbehandeling voor gemiddeld 3,5% gewichtsverlies en circa €1.000 voor gemiddeld 5% gewichtsverlies binnen de GLI, komt dat neer op ongeveer €69 tegenover €200 aan directe behandelkosten per procentpunt gewichtsverlies.
“De vergelijking is niet bewijsvoerend maar wel indicatief en leidt tot de vraag of het belangrijk is om te onderzoeken of een deel van de patiënten met anders dan de GLI en meer gerichtee zorg al voldoende gezondheidswinst kan bereiken”, aldus Rootsaert.
Maatwerk als uitgangspunt
De toekomst ligt volgens de NVD-directeur niet in een keuze tussen GLI en diëtist. “Beide hebben een andere functie”, licht ze toe. “Sommige mensen hebben voldoende aan algemene leefstijlondersteuning of een GLI. Bij anderen vraagt de voedingsproblematiek om individuele diëtistische diagnostiek en behandeling. En weer andere patiënten hebben intensievere of multidisciplinaire obesitaszorg nodig met medicatie.”
Dietetics building the future
Ook het programma Dietetics Building the Future laat zien dat diëtistische behandeling aantoonbare praktijkresultaten geeft. Het is een omvangrijk Nederlands onderzoeksproject dat is gericht op obesitas, waarvan de resultaten in juli werden gepubliceerd. Het onderzoek beschrijft klinisch relevant gewichtsverlies bij een substantieel deel van de patiënten.
“Het laat tevens zien dat behandelintensiteit meer aandacht verdient”, zegt Rootsaert. “De sterke samenhang tussen consultfrequentie en gewichtsverlies maakt het wetenschappelijk bovendien verdedigbaar om te onderzoeken of de huidige vergoeding van drie uur diëtetiek in de basisverzekering voldoende ruimte biedt.”
Stepped en matched care
De resultaten uit Dietetics Building the Future en het Nivel-onderzoek laten volgens Rootsaert zien dat meer maatwerk effectief is. “Dat sluit goed aan bij het uitgangspunt van stepped en matched care uit de nieuwe richtlijn Zorgmodule Voeding 2026: start met de zorg die past bij de aard en complexiteit van de voedingsvraag en schaal op wanneer dat nodig is”, aldus Rootsaert. Maatwerk wordt volgens haar extra relevant nu gewichtsverlagende medicatie een steeds grotere rol speelt. In de GLI-monitor gebruikte ongeveer 30% van de deelnemers op enig moment medicatie met een gewichtsverlagende werking. “Daarmee wordt niet alleen gewichtsverlies belangrijk, maar ook de vraag hoe voeding, voedingsstatus, lichaamssamenstelling en behoud van spiermassa tijdens de behandeling worden bewaakt. Daarmee verandert de inhoud van de voedingszorg aanzienlijk”, aldus Rootsaert. “De uitkomsten van de RIVM-monitor zijn geen eindpunt. Ze bieden juist een basis om de volgende stap te zetten: van één interventie voor een brede doelgroep naar passende, gedifferentieerde voedings- en leefstijlzorg.”







